HETZELFDE, MAAR DAN ANDERS…

Reactie van de KVEO en de GOV | MHB naar aanleiding van de resultaten Onafhankelijkheid, dekolonisatie, geweld en oorlog in Indonesië, 1945-1950 (21 februari 2022)

Tijdens een online presentatie op 17 februari zijn de resultaten van het onderzoek Onafhankelijkheid, dekolonisatie, geweld en oorlog in Indonesië, 1945-1950 bekendgemaakt. Dit onderzoek is uitgevoerd door het NIOD, het NIMH en het KITLV nadat in 2016 door het toenmalige kabinet financiële middelen zijn vrijgemaakt ten behoeve van verdieping en verbreding in de context van het geweldsgebruik in de periode van dekolonisatie. De KVEO en de GOV|MHB hebben dergelijk initiatief als positief ervaren, daar het een kans biedt om de geweldsplegingen tijdens deze traumatische periode in een breder maatschappelijke context te plaatsen, zonder daarbij de Indiëveteranen neer te zetten als zondebok en ze daarmee te profileren als plegers van structureel extreem geweld. Het blijft onverminderd belangrijk voor de Nederlandse samenleving om te reflecteren.

In de kamerbrief van 2 december 2016 wordt de intentie duidelijk uiteen gezet: ‘Een dergelijk onderzoek dient zich niet te beperken tot de geweldpleging door alle partijen waar veel deelstudies zich op richten, doch nadrukkelijk in te gaan op de brede context van de naoorlogse dekolonisatie (inclusief samenleving) en het politiek, bestuurlijk, justitieel en militair optreden in 1945-1949 in voormalig Nederlands-Indië/Indonesië, zowel vanuit Haags als vanuit lokaal perspectief.’.[1] Hoezeer de kamerbrief een intentieverklaring is en geen schriftelijke opdracht van het kabinet, zijn de KVEO en de GOV|MHB teleurgesteld te moeten constateren dat dergelijk contextualiseren van beide perspectieven vooral (opnieuw) leidt tot het neerzetten van Nederlandse militairen als zondebok.

Tijdens de op de presentatie aansluitende persconferentie benadrukken de programmadirecteuren van het NIOD, NIMH en KITLV dat het onderzoek de extreme geweldsplegingen door de Nederlandse krijgsmacht als instituut benadert en niet de militair als individu. Vragen vanuit het publiek over wat dit betekent voor de Indiëveteranen worden beantwoord met de opmerking dat niet is gekozen voor een analyse van alle persoonlijke ervaringen om het onderscheid te maken, maar juist de gelaagdheid van de actoren (militairen, rechters, ambtenaren, bestuursleden) om vast te stellen hoe het geweld gefaciliteerd, getolereerd en verhuld kon worden. De KVEO en de GOV|MHB zijn van mening dat dit een gemiste kans is om juist de nuance te plaatsen voor de veteranen die naar eer en geweten hun opdracht hebben uitgevoerd. ‘Zoveel perspectieven en persoonlijk lijden, ze staan voor de menselijke aard’, zo sluit Frank van Vree de presentatie af: ‘ Dat is inherent aan oorlog.’.

In de samenvattende conclusie van het onderzoek getiteld Over de grens: Nederlands extreem geweld in de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog, 1945-1949 wordt een poging gedaan om het debat over geweldspleging breder te trekken: ‘De uitbarstingen van extreem geweld tegen Indo-Europeanen, Molukkers en Nederlanders moeten niet als geïsoleerde verschijnselen worden beschouwd, maar geplaatst worden in de context van wat de Duitse historicus Christian Gerlach aanduidt als een extreem gewelddadige samenleving, een concept dat ook toepasbaar is op grote delen van Indonesië in deze eerste fase van de revolutie .’[2]. Dat deze Bersiap-periode tussen oktober 1945 en maart 1946 echter niet gezien mag worden als motivatie om op te treden tegen dit geweld, aangewakkerd door de traumatische ervaringen onder de Japanse bezetter en geweldspleging door o.a. de pemuda’s in het vacuüm van de Japanse bezetting en de Nederlandse vergeefse poging het koloniale bewind te herstellen, is een gemiste kans om vorm te geven aan de intentie van het kabinet in de kamerbrief van 2 december 2016. Het wordt weggewuifd als een constructie uit latere egodocumenten.

Genuanceerder dan dit citaat komt het echter in Over de grens niet. De KVEO en de GOV|MHB zijn teleurgesteld dat het onderzoek de Nederlandse veteraan veroordeelt en zelfs zover gaat om te zeggen dat actoren, waaronder militairen ‘in gezamenlijkheid bereid waren stelselmatig extreem geweld te tolereren, te verhullen en te bevorderen’ en dat het beleid van Den Haag na de oorlog erop gericht was de ‘Indiëveteranen, de Indisch Nederlanders en Molukkers te ontzien.’[3]. Daarbij zijn woorden als ‘extreem’, ‘stelselmatig’, ‘systematisch’ en ‘excessief’ te pas en te onpas gebruikt zonder de aard, omvang en frequentie verder te duiden. De gereserveerdheid, die de GOV|MHB dd. 3 februari 2022 heeft geuit in een reactie op de voorpublicatie van het meerjarig onderzoek, is ten nadele bewaarheid.[4] Namelijk, dat Indiëveteranen zeker niet eenzijdig het slachtoffer mogen worden van dit onderzoek.

Daar waar historicus Rémy Limpach in 2016[5] voor het eerst sprak over de toepassing van structureel extreem geweld, in plaats van de eerder genoemde geïsoleerde ‘excessen’, wordt in de presentatie van 17 februari en de concluderende opmerkingen in Over de grens niet gesproken over de vraag in hoeverre deze geweldplegingen plaatsvonden binnen de operationele eenheden. Zoals voorzitter van het Veteranen Platform Hans van Griensven aangeeft: ‘(…) diens constatering dat het merendeel van de Nederlandse militairen schone handen had, wordt niet ontkracht, maar angstvallig vermeden.’.[6] In plaats daarvan wordt nog meer onderstreept, dat de Nederlandse krijgsmacht verantwoordelijk is voor het toegepaste geweld, inclusief het extreme geweld. Dat het onderzoeken en vervolgen van dat geweld lag bij de commandanten, die als gevolg wegkeken en daarmee een gedoogbeleid hebben geïnstitutionaliseerd, is in het bijzonder een klap voor de veteranen die veelal ongetraind, met gebrek aan kennis en ervaring en numeriek in de minderheid ‘slechts’ deed wat hen opgedragen werd in een anderzijds onmogelijke missie.

De KVEO en de GOV|MHB willen benadrukken dat ruim 200.000 veteranen zich naar eer en geweten hebben ingezet om doelen na te streven die hen door de politiek zijn opgelegd, om een status quo te herstellen die in de eerste plaats nooit meer hersteld had kúnnen worden. Dat de oorlog paste in een koloniale traditie van onderdrukking, raciale overtuigingen en exploitatie van land, aangespoord door economische en geopolitieke motieven vanuit Den Haag doet niets af aan de inzet van de Nederlandse militair. Het gaat voorbij aan alle inzet die weldegelijk getoond is om rust en orde te herstellen op basis van humanitaire hulp, aanleg van infrastructuur en de wederopbouw van een tijdens de Japanse bezetting ondermijnde en geterroriseerde samenleving.

De KVEO en de GOV|MHB sluiten zich aan bij de concluderende opmerkingen van het Veteranen Platform; namelijk, dat de resultaten van het onderzoek een grote impact zullen hebben op de Indiëveteranen, Nederlands-Indiërs en Molukkers. Maar ook op hun relaties en families, die al decennialang geconfronteerd worden met de erfenis van deze periode. Aan hen adviseren wij: ga het gesprek aan en blijf met elkaar erover praten. Het Veteranenloket van het Nederlands Veteraneninstituut staat klaar om ondersteuning te bieden.

 

Namens de besturen van de KVEO en de GOV|MHB,

Marcel Celie, voorzitter KVEO

Rob Pulles, duovoorzitter GOV/MHB

Niels van Woensel, duovoorzitter GOV/MHB

 

[1] Brief van de ministers van Buitenlandse Zaken, van Defensie en staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, kamerstuk 26049, nr. 82 (2 december 2016)

[2] Over de grens: Nederlands extreem geweld in de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog, 1945-1949 (Amsterdam University Press, 2022) p. 450-453

[3] Over de grens, p. 475

[4] Zie: https://www.kvmo.nl/nieuws/nieuws-kvmo/item/1393-reactie-gov-mhb-op-aangekondigde-publicaties-indie-onderzoek.html

[5] Limpach, R., De brandende kampongs van generaal Spoor (Boom uitgevers Amsterdam, 2016)

[6] Herhaling van zetten, reactie van het Veteranen Platform n.a.v. uitkomsten onderzoek ‘’Onafhankelijkheid, dekolonisatie, geweld en oorlog in Indonesië, 1945-1950’’ (17 februari 2022)